Onsterfelijkheid

Bijbelse onderbouwing van de onsterfelijkheid van de ziel

Definitie

Definitie: De betekenis van onsterfelijkheid is: het eeuwige en bewuste bestaan van de ziel na het sterven van het lichaam. Het lichamelijke sterven is de scheiding van het stoffelijke en het onstoffelijke deel van de mens. In de Bijbel wordt het woord onsterfelijkheid alleen gebruikt als het gaat om het lichaam. Over het onstoffelijke deel van de mens, de ziel, kan men lezen in 1 Kor 15: 53-54 Want dit vergankelijke moet zich met onvergankelijkheid bekleden en dit sterfelijke moet zich met onsterfelijkheid bekleden. 54. En wanneer dit vergankelijke zich met onvergankelijkheid bekleed zal hebben, en dit sterfelijke zich met onsterfelijkheid bekleed zal hebben, dan zal het woord geschieden dat geschreven staat: De dood is verslonden tot overwinning. Het aandoen van de onsterfelijkheid gebeurt voor de gestorven gelovige door de opstanding en het aandoen van de onsterfelijkheid gebeurt voor de levende gelovige door de verandering. Deze verandering zal zich voltrekken tijdens de Opname.

De Bewijzen van de Leer van Onsterfelijkheid

We gaan hier bekijken wat de Bijbel zegt over de onsterfelijkheid van de ziel: De Bewijzen van de Leer van Onsterfelijkheid Er zijn zeventien (17) specifieke bewijzen voor de Leer van Onsterfelijkheid, bewijzen die aantonen dat de Bijbel een onafgebroken bewustzijn van de ziel leert.'

1. Vergaderd tot zijn Voorgeslacht

Het eerste bewijs van de Leer van Onsterfelijkheid is een manier van spreken die komt uit het Oude Testament en verband houdt met de dood: vergaderd tot zijn voorgeslacht. Men ziet de gestorvene als iemand die zich bij een groep voegt die hem is voorgegaan. We lezen bijv. in Genesis 25:8: 8 En Abraham gaf de geest en stierf in hoge ouderdom, oud en van het leven verzadigd, en hij werd vergaderd tot zijn voorgeslacht. We lezen dezelfde uitdrukking over Ismaël in Genesis 25:17: 17 En dit waren de jaren van Ismaëls leven: honderd zevenendertig jaar. Toen gaf hij de geest en stierf, en werd vergaderd tot zijn voorgeslacht. We zien hier dat eerst de lichamelijke dood plaatsvindt, Ismaël sterft; dan, ná zijn sterven wordt hij gezien als vergaderd tot zijn voorgeslacht, als iemand die zich bij een groep voegt die hem is voorgegaan of voorafgegaan is. Een volgend voorbeeld is Genesis 35:29a: 29 En Isaak gaf de geest en stierf en hij werd tot zijn voorgeslacht vergaderd... Het volgende voorbeeld gaat over Jakob in Genesis 49:29: 29 Daarna gaf hij hun bevel en zei tot hen: Ik word tot mijn voorgeslacht vergaderd, begraaft mij bij mijn vaderen in de spelonk in het veld van de Hethiet Efron Het laatste voorbeeld staat in Genesis 49:33: 33 Toen Jakob geëindigd had zijn zonen bevelen te geven, trok hij zijn voeten terug op het bed en gaf de geest, en hij werd tot zijn voorgeslacht vergaderd. Dus in het eerste boek van de Bijbel zien we dat, nadat mensen lichamelijk waren gestorven, van hen wordt gezegd dat zij werden “vergaderd tot hun voorgeslacht.” Zij sluiten zich aan bij een groep die bij volle bewustzijn is en die hen is voorgegaan, zo worden zij hier gezien.

2. Tot de Vaderen gaan

Het tweede bewijs voor de Leer van Onsterfelijkheid is gelijk aan het eerste: soms wordt de uitdrukking “tot de vaderen gaan” gebruikt. Een voorbeeld hiervan vinden we in Genesis 15:15: 15 Maar gij zult in vrede tot uw vaderen gaan; gij zult in hoge ouderdom begraven worden. Het tot de vaderen gaan, gaat vooraf aan de begrafenis. Een gelijkluidende uitspraak vinden we in Genesis 47:30a: 30 Want ik wil bij mijn vaderen liggen, vervoer mij daarom uit Egypte en begraaf mij in hun graf. Het feit dat iemand tot zijn vaderen gaat, komt erop neer dat het bewustzijn voortduurt ook na de lichamelijke dood.

3. De Zekerheid van Job

Het derde bewijs voor de Leer van Onsterfelijkheid vinden we in het boek Job, waarin wordt beschreven hoe Job zekerheid verkreeg naar aanleiding van een vraag die hij zelf stelde en die daarna beantwoordde. In Job 14:14a is de vraag: 14 Als een mens sterft, zou hij herleven Het antwoord op deze vraag van Job 14:14 vinden we in Job 19:25-26: 25 Maar ik weet: mijn Losser leeft en ten laatste zal Hij op het stof optreden. 26 Nadat mijn huid aldus geschonden is, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen, Job kreeg de verzekering dat, hoewel zijn fysieke lichaam uiteindelijk lichamelijk zou sterven, hij toch God zal zien los van zijn lichaam; en ook dit is een bewijs van onsterfelijkheid.

5. De Leer der Opstanding

Het vijfde bewijs voor de Leer van Onsterfelijkheid is gebaseerd op de Leer der Opstanding, want het feit dat de opstanding zal plaatsvinden, houdt in dat er onsterfelijkheid is. Want waarom zouden we ons bezighouden met de opstanding van de doden, of ze nu rechtvaardig of onrechtvaardig zijn? Dus in het concept van opstanding ligt onsterfelijkheid besloten. Zij worden opgewekt om voor altijd te leven. In het Oude Testament vinden we de Leer der Opstanding in Jesaja 26:19; Daniël 12:2-3; en Hosea 13:14. In het Nieuwe Testament wordt dit duidelijk geleerd in Johannes 5:25-29 en in Openbaring 20:4-6, 11-15.

6. Het Bewustzijn van de Ziel

Het zesde bewijs voor de Leer van Onsterfelijkheid is dat volgens de Bijbel, het onstoffelijke deel van de mens bij God is en bij bewustzijn is, wanneer iemand sterft. Er zijn van deze waarheid voorbeelden te noemen vanuit de beide testamenten. In het Oude Testament vinden we bijvoorbeeld deze waarheid in Psalm 17:15: 15 Maar ik zal in gerechtigheid uw aangezicht aanschouwen, en bij het ontwaken mij verzadigen met uw beeld. We zien hier dat David in geloof uitspreekt dat de ziel bij bewustzijn is in de omgang met God, zelfs na de dood. Dit wordt ook geleerd in Psalm 73:23-25: 23 Nochtans zal ik bestendig bij U zijn, Gij hebt mijn rechterhand gevat; 24 Gij zult mij leiden door uw raad, en daarna mij in heerlijkheid opnemen. 25 Wie heb ik (nevens U) in de hemel? Nevens U begeer ik niets op aarde; In deze Psalm van de schrijver Asaf, toont hij zijn grote geloof in onsterfelijkheid. Zelfs na zijn dood zag hij zichzelf bij God en in bewustzijn. We zien dit ook in Prediker 12:7; Lucas 23:43; Johannes 14:3; 2 Korintiërs 5:1-8; en Filippenzen 1:22-24.

7. Je bij de Doden Voegen

Het zevende bewijs voor de Leer van Onsterfelijkheid is dat David verwachtte dat hij zich bij zijn zoon kon voegen nadat David zelf gestorven zou zijn. Dit is een uitspraak die in 2 Samuël 12:23 wordt gedaan: 23 Maar nu is het dood – waarom zou ik dan vasten? Kan ik het nog doen terugkeren? Ik zal wel tot hem gaan, maar hij keert tot mij niet terug. Let hier op de manier waarop David het zegt: hij verwacht naar de plaats te gaan waar zijn gestorven zoon is, en hij verwacht hem daar te zien nadat hij zelf gestorven is. Dus David verwachtte dat hij zich bij zijn zoon kon voegen terwijl hij bij bewustzijn was na zijn eigen dood, en dat is wat hij in deze passage verwoordt.

8. Het bewustzijn van de Zielen in het Dodenrijk

Het achtste bewijs voor de Leer van Onsterfelijkheid is dat de zielen van het dodenrijk worden gezien alsof zij voortdurend bij bewustzijn zijn. Een goed voorbeeld hiervan in het Oude Testament staat in Jesaja 14:9-11: 9 Het dodenrijk beneden is over u in beroering om u bij uw komst te ontmoeten; het wekt de schimmen voor u op, al de bokken der aarde; het doet alle koningen der volken van hun tronen opstaan. 10 Zij allen vangen aan tot u te zeggen: Ook gij zijt krachteloos geworden als wij, gij zijt aan ons gelijk geworden; 11 uw trots is in het dodenrijk neergeworpen, de klank uwer harpen; het gewormte ligt onder u gespreid en maden zijn uw bedekking. In deze passage komt de koning van Babylon in de Hel, die deel uitmaakt van het dodenrijk zelf, en alle zielen die hem zijn voorgegaan naar de Hel, staan in verbazing op als zij hem het gebied van de Hel zien binnenkomen. Zij zijn in staat om hem te ondervragen en met hem een gesprek te voeren. Dus we moeten ons er hiervan bewust zijn dat we deze doden hier zien als wezens met bewustzijn. In het Nieuwe Testament wordt ons dit geleerd in Lucas 16:19-31 in de geschiedenis van de rijke man en Lazarus. Dit verhaal is een waar verhaal.

9. Eeuwigheid in het Hart

Het negende bewijs voor de Leer van Onsterfelijkheid is de uitdrukking in Prediker 3:11: “ook heeft Hij de eeuw (“eeuwigheid” in het Engels - vert.) in hun hart gelegd”. Het woord hart wordt in de Schriften vaak gebruikt als een van de aspecten van het onstoffelijke deel van de mens. Dus het element onsterfelijkheid maakt deel uit van het onstoffelijke deel van de mens.

10. De Verschijning van Samuël aan Saul

Het tiende bewijs voor de Leer van Onsterfelijkheid is het feit dat Samuël bij volle bewustzijn werd gezien na zijn eigen dood. In 1 Samuël 28:8-19 lezen we het verhaal van Saul die naar een waarzegster gaat om te kijken of zij in staat was om de ziel van Samuël op te roepen vanuit het dodenrijk. Nu hebben waarzegsters deze krachten niet, en deze waarzegster ook niet. Wat er gebeurt in deze situatie is dat een demon zich als de gestorvene zal voordoen. Maar in dit verhaal zien we de echte Samuël tot de enorme verrassing van de waarzegster opkomen, en dit toont ons dat zij er in feite niets mee te maken had. Het was God die in dit geval ingreep en het toeliet dat de ziel van Samuël kon opkomen. Samuël werd hier niet opgewekt; het was eenvoudigweg de ziel van Samuël, zijn onstoffelijke deel, die opkwam vanuit het dodenrijk. Hij kon van daaruit zijn gesprek met Saul voortzetten, en Saul laten weten dat zijn ondergang aanstaande was en dat hij zou sterven in de strijd met de Filistijnen. Maar het punt is dat Samuël volledig bij bewustzijn was, zelfs na zijn lichamelijke dood, en dit toont ons opnieuw onsterfelijkheid.

11. God is een God van de Levenden

Het elfde bewijs voor de Leer van Onsterfelijkheid is wat Jezus over God vertelde in Mattheüs 22:29-32: Hij is niet een God van doden, maar van levenden (vs.33). Alhoewel de specifieke mensen die Hij hier noemt, Abraham, Isaak en Jakob lichamelijk dood zijn, is God ondanks dat, een God van de levenden.

12. Door de Dood is het Leven

Het twaalfde bewijs voor de Leer van Onsterfelijkheid is de uitspraak die wordt gedaan in Johannes 11:25-26 en deze gaat over de dood van Lazarus: wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven (vs. 25)1. We merken hier op dat hier niet staat “wie in Mij gelooft, zal later tot leven komen”. Als dat er zou staan, dan zou het slechts betekenen dat de doden op enig moment opgewekt zouden worden. Maar Johannes gebruikt hier de tegenwoordige tijd “hoewel hij nu dood is, leeft hij nu ook”; dus alhoewel iemand is gestorven, is hij tegelijkertijd levend. Hij is dan wel lichamelijk gestorven, maar het onstoffelijke deel van de mens heeft een doorgaand en levend bewustzijn, en daarom kan Jezus van een gestorven heilige zeggen: alhoewel hij gestorven is, leeft hij.

13. De Belofte van een Toekomstige Heerlijkheid

Het dertiende bewijs voor de Leer van Onsterfelijkheid is de belofte van de toekomstige heerlijkheid. De garantie voor de toekomstige heerlijkheid kunnen we vinden in Romeinen 8:18, en het feit dat de gelovige bestemd is verheerlijkt te worden, is ook een aanwijzing dat hij ononderbroken en eeuwig zal bestaan. Romeinen 8:18 zegt: 18 Want ik ben er zeker van, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid, die over ons geopenbaard zal worden'

14. De Belofte van een Toekomstig Leven

Het veertiende bewijs voor de Leer van Onsterfelijkheid vinden we in 1 Korintiërs 15:19, waarin staat dat het ontbreken van een toekomstig leven de gelovige tot de beklagenswaardigste van alle mensen maakt. Het ontbreken van een toekomstig leven voor de gelovige maakt hem tot de beklagenswaardigste van alle mensen omdat de gelovige zijn leven aan God heeft gewijd gebaseerd op Zijn belofte van onsterfelijkheid. De levenswijze van een gelovige luistert nauw en zij willen zichzelf oefenen om te leven in overeenstemming met Zijn regels en voorschriften, dus als er geen leven na de dood is, dan was alles nutteloos, en was hun geloof tevergeefs. Als dit waar was, dan was de gelovige inderdaad de beklagenswaardigste van alle mensen. Daarom moet onsterfelijkheid waar zijn omdat er van ons een bepaalde manier van leven wordt verwacht

15. De Ziel wordt Vernieuwd

Het vijftiende bewijs voor de Leer van Onsterfelijkheid vinden we in 2 Korintiërs 4:16-18, waar wordt gezegd dat, terwijl het lichaam vervalt, de ziel van dag tot dag wordt vernieuwd. Hoewel het lichaam dus uiteindelijk zover vervalt tot de dood komt, wordt ondanks dat de ziel van dag tot dag wordt vernieuwd. De enige reden om de ziel van dag tot dag te vernieuwen is omdat zij onsterfelijk is.

16. Onsterfelijkheid door het Evangelie

Het zestiende bewijs voor de Leer van Onsterfelijkheid lezen we in 2 Timotheüs 1:10, waar Paulus zegt dat zowel het leven als de onvergankelijkheid aan het licht zijn gebracht door het evangelie. Hij feit dat hij de verbinding legt tussen onsterfelijkheid en het evangelie, toont ons dat een van de redenen van het evangelie de redding van de ziel is opdat zij voor altijd zal blijven bestaan.

17. Toekomstige Beloningen en Bestraffingen

Het laatste bewijs voor de Leer van Onsterfelijkheid is dat toekomstige beloningen en bestraffingen onsterfelijkheid impliceren; deze dingen zouden geen enkele betekenis hebben na het sterven als de onsterfelijkheid niet waar was. We vinden dit feit in Mattheüs 11:20-24; 13:49-50; 25:34, 41, 46; Romeinen 2:5-11; en 2 Timotheüs 4:7-8

Wat zijn de foute leerstellingen aangaande de onsterfelijkheid van de ziel?

Ophouden te bestaan. Dit leven is alles wat er is. Lichaam, ziel en bewustzijn houden op te bestaan. De leer van het Atheïsme. Deze leer verwerpt de Bijbel. Reïncarnatie. Als het lichaam sterft, verhuist de ziel naar een nieuw levend lichaam van een dier of een mens. Niet naar de hemel of de hel. Het principe van Hebreeën 9:27 verzet zich tegen reïncarnatie: En zoals het de mensen beschikt is, éénmaal te sterven en daarna het oordeel. Dit vers gaat dus in tegen het concept van de verhuizing van de ziel. Annihilationisme. de ziel die niet is gered, wordt na een bepaalde periode van straf, vernietigd (Engels: annihilate = vernietigen - vert.). Deze mensen geloven dat de ziel die niet is gered naar hel zal gaan, niet voor eeuwig, maar tijdelijk. De ziel die niet is gered wordt na een periode van straf uiteindelijk vernietigd.

Waarom meent men dat deze leer waar is?

God is liefde en kan daarom niet eeuwig straffen God is rechtvaardig en eeuwig straffen is niet rechtvaardig Kinderen en onwetende mensen kunnen zo niet oor eeuwig gestraft worden Straf heeft alleen zin als het verbetering oplevert Wat is het nut om mensen voor eeuwig te straffen? Dat is toch een last voor God? Gelovigen in de hemel kunnen niet genieten als hun ongelovige geliefden lijden in de hel

Bezwaren tegen deze leer

De Bijbel spreekt over de ongelovige ziel als “verderf”. Matth 10:28….. verderven, te gronde richten Matth 7:13…. De weg die tot verderf leidt (verderf wordt hier uitgelegd als “ophouden te bestaan” 2 Petr 2:1 ; Filip 3:19 ; 1 Thess 2:8 ; Verderf betekent hier volgens deze leer “ophouden te bestaan” Koll 1:20 zegt dat “alle dingen met Hem verzoend worden”, dus ook de ongelovigen. Deze argumenten houden echter geen steek! Hier volgen de bezwaren tegen deze leer: Als de liefde van God geen eeuwige straf toelaat, waarom laat diezelfde liefde dan tijdelijk lijden op aarde toe? Rechtvaardigheid van God eist eeuwige straffen voor hen die hem resoluut afwijzen. God faalt niet als Hij het kwaad niet vernietigd, sterker het bevestigt de uitvoering van Zijn plan. Kinderen gaan niet zomaar verloren. De Bijbel leert dat nergens. Straf is niet iets dat tot verandering leidt, het is een doel op zichzelf. Als God wil dat mensen eeuwig gestraft worden dan is dat Zijn Wil. Gelovigen zullen in de aanblik van Jezus alles vergeten wat er om hen heen gebeurt. Ook de straffen van ongelovige geliefden.

Apollumi

Nog even wat er staat in het Grieks “apollumi”. (Matth 10:28 en meer). Apollumi betekent niet absolute vernietiging of “ophouden te bestaan”. Het betekent eenvoudig “zich in een verloren staat bevinden”! (Kijk maar naar Matth 10:6 ; Matth 15:24 ; Matth 16:25 en Lucas 19:10).

Argumenten tegen het annihilationisme

Daniels profetie: Daniel 12:2…. En velen van hen die slapen in het stof van de aarde, zullen ontwaken, sommigen tot eeuwig leven, anderen tot smaad, tot eeuwig afgrijzen. Eeuwig leven en eeuwig afgrijzen worden in dezelfde zin gebruikt en hebben dus dezelfde betekenis. Matth 25:46…. En dezen zullen gaan in de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven. Ook hier dezelfde betekenis in dezelfde zin. Hebreeën 6:2 …..van de leer van de dopen, van de handoplegging, van de opstanding van de doden en van het eeuwig oordeel. Eeuwig oordeel! Judas 1:7 Evenzo is het met Sodom en Gomorra, en de steden eromheen, die op dezelfde wijze als zij hoererij bedreven hebben en ander vlees achterna zijn gegaan. Zij liggen daar als een waarschuwend voorbeeld, doordat zij de straf van het eeuwige vuur ondergaan. Openbaring 14:11a….. En de rook van hun pijniging stijgt op tot in alle eeuwigheid…..

Veelgestelde vragen

A5 is een veelgebruikt formaat (148x210mm) dat prettig leest en toch draagbaar is.

De EBV24 (Eigentijdse Bijbelvertaling) is een breed geaccepteerde vertaling die gericht is op toegankelijkheid en eigentijds taalgebruik en een letterlijke Bijbelvertaling. Ze is geschikt voor wie begrijpelijkheid belangrijk vindt.

Een lichtgewicht Bijbel met duidelijke bladspiegel en leesbare vertaling is ideaal voor dagelijks gebruik.

Het Oude Testament bevat de geschiedenis en profetieën vóór Jezus. Het Nieuwe Testament beschrijft het leven van Jezus en de eerste christelijke gemeenten.

Een compact Bijbel is kleiner van formaat, vaak A6 of kleiner, en daardoor makkelijk mee te nemen.

Bekijk alle Bijbels in onze webshop